Er bestaan verschillende versies over de ontstaansgeschiedenis van Drongen. Onwaarschijnlijke verhalen die tot in de Middeleeuwen standhielden.

In het ene verhaal speelt Basinus de hoofdrol. Deze koning van de stad
Basotes, kreeg bij de dagenlange achtervolging van een hert tijdens de
jacht een nachtelijke verschijning. Een stem vertelde hem dat het hert
eigenlijk een engel was die hem naar deze plaats langs de Leie gebracht
had om er drie kerken te bouwen. Een ter ere van de apostel Petrus,
een gewijd aan Johannes de Doper en een derde op de huidige plaats
van Drongen ter ere van Maria, de Moeder Gods.
Tijdens de plechtige inwijding van de drie bidplaatsen in aanwezigheid
van vele bischoppen gebeurde een mirakel: olie vloeide uit de hemelen
genas vele zieken. Waarop Basinus geestelijken in de drie kerken om er
dag en nacht God te dienen.

Het andere verhaal schrijft de oprichtng van de Drongense religieuze gemeenschap toe aan
Amandus (ca. 594 – 676). Deze bekende heilige en missionaris van het
Scheldebekken wordt verantwoordelijk geacht voor de oprichting van de
Sint-Pieters – en Sint-Baafsabdij. In 606 bouwde hij te Drongen een
kerk en liet die bedienen door geestelijken. Ten teken van de
succesvolle bekering van de nogal woeste plaatselijke bevolking, had hij
er een jaar tevoren een kruisbeeld laten oprichten. Volgnes sommige
bronnen installeerde hij hier maar liefst 42 kanunniken.

Een derde verhaal dat werd opgetekend door kanunniken, is dat van Gerulphus, de huidige patroonheilge van Drongen. Het situeert zich ten tijde van het bewind van de Arnulf I (889 – 965), zoon van de Frankische gouwgraaf Boudewijn II. In die bron treedt de toenmalige Drongense gemeenschap van kanunniken op het voorplan.
Het vertelt het lijdensverhaal van de heilige en aansluitend daarop de overbrenging van zijn stoffelijke resten naar de Drongense religieuze gemeenschap waar het een ereplaats kreeg in de Onze-Lieve-Vrouwekerk.

Gerolf was de zoon van Leutgoldus en Ratguera, een adelijk koppel dat op hun domein in
Merendree woonde. Rond het midden van de achtste eeuw werd
Gerulphus door zijn dooppeter vermoord nadat die hem had vergezeld
om in de Gentse Sint-Pietersabdij het vormsel te ontvangen van bisschop
Heliseus van Noyon-Doornik. De jeugdige martelaar werd begraven in de
Sint-Radegondiskerk op het familiegoed te Merendree. De stervende
jongen zou zijn vader gesmeekt hebben om bijgezet te worden in het
klooster van Drongen, waar hij kort tevoren nog had gebeden. Hij had
zijn vader tevens op het hart gedrukt om zijn landerijen in Merendree en
zijn paard aan de Drongense geestelijken te schenken opdat ze voor zijn
zieleheil zouden bidden. Uit gierigheid had de vader nagelatenhet goed te
schenken en had hij Gerulphus laten begraven in de Radegondiskerk,
waar weldra miraculeuze genezingen plaatsvonden . In 915 werden zijn stoffelijke resten naar Drongen overgebracht.

Bron: De Oude Abdij van Drongen – elf eeuwen geschiedenis onder redactie van Johan Decavele, Jan De Mayer, Patricia Quaghebeur en Paul Trio